Diefstal? Opgelost!
Dit verhaal heb ik geschreven voor de cursus Korte Verhalen Schrijven. Deze les ging over dialogen.
Ben jij net zo slim als de agent en kun jij de dader aanwijzen? Vast wel!
‘Mijn ketting is gestolen, meneer de agent,’ vertelde de jonge vrouw. Ze stond op van haar stoel op het terras van een klein cafeetje midden in Rotterdam. ‘Ik had hem net gekocht en toen ik even mijn Tiktok checkte, heeft iemand hem gejat.’
Ik knikte en keek de beveiliger aan. ‘U had drie mensen aangehouden, begreep ik?’
De man knikte en gebaarde me mee te lopen. ‘Dit zijn de enige drie mensen die langs de tafel zijn gelopen. Een van hen moet de ketting meegenomen hebben. Ik heb ze in drie aparte ruimtes gezet zodat u hen rustig kunt verhoren,’ vertelde hij.
Toen hij naar de eerste deur gebaarde, stapte ik naar binnen. Daar zat een zwaar opgemaakte vrouw in een jurk met panterprint. Ik schatte haar in de vijftig.
‘Dag agent,’ zei ze met een zwaar Rotterdams accent. Ze schudde haar geblondeerde haar achter haar schouders. ‘Het is toch niet normaal? Je ken hier niet eens meer gewoon een koppie thee drinken zonder dat ze met hun klauwen an je spullen zitten. Het is toch vreselijk?’
‘Dat is het inderdaad. Kunt u mij vertellen wat er precies gebeurd is?’
‘Nou, ik zag die meid dat doossie met een prachtige zilveren ketting op de tafel zetten. Ze leek er hartstikke blij mee, maar toen ging d’r telefoon en je weet hoe dat gaat met dat jonge spul: die dingen hoeven maar effe te piepen en hup, alles gaat opzij. Ik liep langs haar, en achter mij liep de een of andere Turk. Hij brabbelde wat in zijn telefoon, maar dat ken ik natuurlijk niet verstaan. Daarachter liep zo’n bal in pak. Een van die twee mot het gedaan hebben. Het zal die Turk wel geweest zijn, die buitenlanders jatten alles wat los en vast zit.’
Ik luisterde naar haar verhaal en bedankte haar.
‘Ik ga even met de andere twee praten,’ vertelde ik. ‘Misschien kom ik straks nog terug.’
‘Prima, agent, ik gaat nergens heen.’
In de volgende ruimte zat een man in een net pak. Ik schatte hem eind dertig. Hij knikte, keek naar het raam en veegde een stofje van zijn mouw.
‘Agent, kunnen we opschieten?’ vroeg hij toen zonder me aan te kijken. ‘Ik heb een volle agenda.’ Hij wierp een blik op de cactus die in de vensterbank stond en keek toen op zijn horloge. ‘Over een halfuur heb ik een meeting met internationale zakenpartners.’
Hij keek naar de muur rechts van hem en friemelde aan zijn manchet.
‘Ik wil alleen van u horen wat er gebeurd is,’ vertelde ik hem. ‘Ik zal de zaak zo snel mogelijk afronden.’
De man pulkte een klein stekeltje uit zijn duim en liet dat op de grond vallen. ‘Goed dan. Ik zat even een drankje te doen en ik wilde net teruggaan naar kantoor toen die beveiligingskerel me aanhield. Heeft hij trouwens wel het recht dat te doen? Hoe dan ook, hij zette me vast in dit kleine stikhok en zei dat ik op de politie moest wachten.’
‘Dank u wel voor uw geduld,’ zei ik. ‘Wie waren er nog meer in de buurt van de tafel waaraan het slachtoffer zat?’
De man zuchtte en keek naar een punt achter me. ‘Voor me liep een Turkse man, die in gesprek was via zijn telefoon, en voor hem liep een ordinaire vrouw in zo’n vreselijke panterjurk. Een van hen moet de ketting gestolen hebben, want toen ik langsliep, zag ik alleen een leeg doosje op de tafel staan.’ Hij keek naar het plafond, krabbelde aan zijn duim en tikte ongeduldig op de tafel tussen ons in. ‘Het is bespottelijk dat ik hier zit als verdachte. Denkt u werkelijk dat iemand in een Armanipak van een paar duizend euro een doodordinaire zilveren ketting zou stelen? Als ik al zoiets zou willen dragen, of aan iemand cadeau zou willen doen, zou ik hem gewoon kopen. Bovendien hou ik niet van robijnen. Geef mij maar goud met diamanten.’ Zijn blik schoot van de ene naar de andere muur en hij begon weer op de tafel te tikken.
‘Dank u wel,’ zei ik. ‘Blijft u alstublieft nog even, want misschien wil ik u straks nog eens spreken.’
‘Ik heb niet veel tijd,’ zei de man met nog een blik op zijn horloge. Daarna keek hij weer naar het raam en trommelde met zijn vingers op het tafelblad.
In de derde ruimte zat een Turkse man van rond de vijfendertig. Toen ik binnenkwam, stond hij op en maakte een kleine buiging.
‘Vertelt u me eens wat er is gebeurd,’ zei ik toen hij weer was gaan zitten.
De man legde een hand op zijn borst. ‘Het is erg, meneer,’ zei hij. ‘Het is erg dat iemand stelen van die vrouw. Ik heb niet gezien de ketting. Ik praten met mijn moeder.’ Hij liet me zijn telefoon zien. ‘Het spijt me, meneer. Ik heb niet gezien de vrouw met ketting. Ik hoor haar roepen en meneer van beveiliging zegt: “Stop!” Ik stop en wacht op u om te praten.’ Hij knikte en keek me afwachtend aan.
‘Wie waren er nog meer in de buurt?’ vroeg ik.
‘Voor mij lopen vrouw,’ vertelde de man. ‘Ze had wit haar. Bijna wit. Haar jurk was met kleine vlekken, als een dier. Achter mij lopen man met hele mooie pak. Ik denk hij is rijke man.’
‘En u hebt de ketting niet op de tafel zien liggen?’
‘Nee, meneer. Mijn moeder bellen. Zij wil praten over mijn broer. Mijn broer wil trouwen met vrouw, maar mijn vader is niet blij. Die vrouw niet goed voor hem. Dat is moeilijk. Ik praten met mijn moeder, ik niet kijken naar tafel.’ Hij haalde zijn schouders op en schudde zijn hoofd. ‘Sorry, meneer. Ik moet beter kijken. Ik weet niet wie is dief, meneer.’
‘Nou, ik wel,’ zei ik met een glimlachje, ‘en ik weet ook waar de ketting gebleven is.’
Weet jij het ook?