Ga Dit Huis Niet In
Dit verhaal heb ik lang geleden geschreven. Tijdens de cursus Korte Verhalen Schrijven kreeg ik de opdracht een eerder geschreven verhaal te herschrijven. Dit is het geworden.
“Je moet dat huis niet ingaan,” waarschuwde de voorbijganger.
Paul keek verbaasd om. “Waarom niet?”
“Het is een slechte plaats,” antwoordde de man. “Niemand die daar de nacht doorbrengt komt er levend uit. Sterker nog, niemand die daar ’s nachts naar binnen gaat komt er überhaupt nog uit.”
“Schei toch uit,” zei Paul. Die man was duidelijk niet goed bij zijn hoofd. “Hier, midden in Rotterdam? Wat zou er moeten gebeuren?”
“De vorige eigenaar van dit pand had het verhuurd aan een jongedame,” vertelde de vreemde voorbijganger. Hij schudde verdrietig zijn hoofd. “Nadat ze in het huis is gaan wonen, heeft niemand nog iets van haar gehoord.”
“Zijn ze haar niet gaan zoeken?” vroeg Paul verbaasd.
“Jawel, jazeker. Er zijn politieagenten het huis in gegaan.” De voorbijganger wachtte even en boog zich toen naar Paul toe. Op een zachte toon vroeg hij: “En weet je wat ze vonden?”
Paul schudde zijn hoofd.
“Niets, meneer. Helemaal niets.”
“Dat hoeft niets te betekenen,” zei Paul. “Misschien is ze uit zichzelf weggegaan.”
De voorbijganger keek om zich heen en fluisterde: “Dat kan een keer gebeuren, meneer, maar vijf keer achter elkaar? Ja, de volgende vier huurders zijn ook in rook opgegaan. De eigenaar van het huis werd verdacht, maar er waren geen lijken dus was er geen misdrijf. Niemand wilde het huis nog huren en uiteindelijk is hij zelf in het huis gaan wonen.”
“En?” Ondanks het feit dat het onzin was wat de man uitkraamde, was Paul gegrepen door zijn manier van vertellen en werd hij nieuwsgierig naar hoe het verhaal af zou lopen. Paul had de hele nacht de tijd als het moest en hij hield wel van een goed verhaal.
“Weg. Kwijt. Verdwenen.” De voorbijganger sloeg een arm om Pauls nek. “De man is doodverklaard en zijn zoon erfde het huis. Nou, die zat er natuurlijk niet op te wachten en hij heeft geprobeerd het te verkopen, maar niemand was geïnteresseerd. Hij heeft het toen maar op de internationale markt gegooid in de hoop dat een Amerikaan zoals u die de geschiedenis niet kent het zou kopen.”
“Heeft niemand onderzoek gedaan? Konden ze geen camera neerzetten om te zien wat er ’s nachts gebeurde?” Paul was benieuwd hoe de man zich daaruit zou redden.
“Jawel, jazeker,” zei de man. “Een jongeman nam een camera mee die de beelden via internet direct naar iemand in het huis ernaast doorgaf. Rond middernacht werd het beeld vaag en plotseling was de accu van de camera leeg. De volgende ochtend was het huis net zo leeg als de accu. Alleen de camera lag er nog.”
Paul lachte. “En toen? Hebben ze het niet nog eens geprobeerd?”
“Jawel, jazeker. Maanden later, toen de angst wat was afgenomen, is een andere jongeman het huis ingegaan met een camera en verschillende reserve accu’s en snoeren zodat alles vervangen kon worden als er iets kapot zou gaan.”
“En?”
“Hetzelfde verhaal. Om middernacht werd het beeld vager en vager en ineens was het scherm zwart. Dat gebeurde precies om middernacht. Ga het huis niet in, meneer. Het is een slechte plaats.”
“Ik vind het een interessant verhaal, meneer,” zei Paul, “maar ik ben moe en wil graag gaan slapen.”
De man stapte achteruit en hij kneep zijn ogen half dicht. “Dus u gelooft me niet.”
“Om heel eerlijk te zijn: Nee.”
De man keek hem met een duistere blik aan. “Wees toch gewaarschuwd, meneer. Het is een slechte plek. Verkoop het huis zo snel mogelijk.”
“Weet u wat? Ik zal een raam open laten en roepen als er iets gebeurt, goed?” Paul lachte en deed de deur van slot. De vreemde voorbijganger riep nog waarschuwingen achter hem aan, maar Paul schudde zijn hoofd en liep de trap op.
Boven aan de trap bleef hij even staan. Kraakte daar iets op de bovenste verdieping? Hij schudde zijn hoofd. Nu liet hij zich nog bang maken ook door de fantasierijke spookverhalen van een gekke zwerver.
Paul lachte en liep de woonkamer in. Op zijn horloge zag hij dat het kwart voor twaalf was. Hij zette de TV aan. Voor alle zekerheid zou hij televisie kijken tot één uurs ochtends, gewoon om te bewijzen dat er niets gebeurde. Paul schold zacht toen hij zag dat er storing was. Hij zapte naar alle zenders, maar niet een had goed beeld. Dat deed hem denken aan het verhaal dat de man verteld had over de internetverbinding die was uitgevallen en de camerabeelden die vaag werden…
“Nou, Paul, stel je niet aan,” zei hij tegen zichzelf. “Die man was gek.” Het was zijn eerste dag hier, en misschien was de tv-aansluiting gewoon nog niet in orde. Morgen zou hij naar Ziggo bellen om het te regelen. Hij zette de televisie maar weer uit. Het was niet dat hij bang was, maar hij zou niet gaan slapen voor één uur.
Er zat nog een goed boek in zijn tas. Hij pakte het boek en een kwartier lang ging hij volledig op in het verhaal.
Plotseling ging het licht uit. Paul keek om zich heen, maar in het donker zag hij niets. Op de tast vond hij het gordijn en trok dat open. Een lantaarnpaal hulde de woonkamer in een zachte gloed..
Paul voelde zijn hart sneller gaan kloppen. Er was niets om bang voor te zijn. Helemaal niets. Hij draaide zich demonstratief naar het raam om zichzelf te laten zien dat hij best met zijn rug naar de spookachtige kamer durfde te staan zonder dat er iets gebeurde.
Maar er gebeurde wel iets. Er klonk een geluid achter hem. Met een ruk draaide Paul zich om. Hij zag niets. Misschien was het een muis. Ja, het was een muis geweest.
Hij dwong zichzelf weer met zijn rug naar de kamer te gaan staan en keek naar de donkere straat. Toen hij opnieuw een zacht gekraak hoorde, draaide hij zich weer om, maar ook deze keer zag hij niets.
Nu was het genoeg. Paul was een volwassen man. Hij was geen klein kind meer en hoefde dus niet bang te zijn in het donker. Hij liep door de kamer naar de gang. Hij zou gewoon gaan slapen.
Langzaam liep hij de donkere trap op. Hij hoorde een geluid. Of niet? Paul bleef even stilstaan. Misschien had hij gewoon zijn eigen voetstappen gehoord.
Hij liep een tree verder en achter hem klonk het geluid van een tweede paar voeten dat net als hij een tree naar boven stapte.
Met drie treden tegelijk rende Paul de trap op en zijn slaapkamer in. Hij wilde zijn bed in duiken, maar onderweg struikelde hij ergens over. Of werd hij tegengehouden? Had hij een hand om zijn enkel gevoeld? Nee, dat kon niet. Het was niet meer dan zijn fantasie, opgewekt door die verdraaide zwerver die had geprobeerd hem bang te maken. Er was niets.
Maar er was wel iets. Paul had zich op het bed gehesen en lag doodstil op de dekens. Nu wist hij zeker dat hij iets hoorde. Ademhaling. Hij hoorde iemand ademhalen. Hijgen.
Paul wilde gaan zitten, maar het ging niet. Hij trok aan zijn linkerarm, maar die zat vast aan de zijkant van het ledikant. Het leek of hij iemand ingehouden hoorde lachen. Paul probeerde zijn benen te bewegen maar die zaten ook vast. Plotseling ging het lampje naast zijn bed aan en werd er iets tegen zijn keel gedrukt waardoor hij bijna geen adem kon halen.
“Ik had je toch gewaarschuwd?” Het was de voorbijganger die de kop van een moker tegen Pauls keel gestoten had. “Ik had je toch gewaarschuwd hier niet naar binnen te gaan?”
Paul duwde met zijn rechterhand tegen de moker. “Wat wil je?” bracht hij moeizaam uit. “Wat wil je van me?”
“Te laat.” De man liet een rochelende lach horen en knipte het licht weer uit.