Stemmen...

Dit verhaal heb ik geschreven voor de cursus Korte Verhalen Schrijven. 

De opdracht was hetzelfde verhaal in twee verschillende perspectieven te schrijven. Ik vond het wel interessant om het jij-perspectief eens uit te proberen.

Je-perspectief

 

Midden in de nacht schiet je overeind. Je wrijft in je ogen en kijkt verdwaasd om je heen, maar natuurlijk kun je in het donker niet veel zien, alleen de rode cijfers van de wekker die aangeven dat je nog maar een uur geleden in bed gestapt bent.

Plotseling hoor je iets beneden, in de woonkamer. Je kunt niet verstaan wat ze zeggen, maar er klinken duidelijk verschillende stemmen. Inbrekers!

Wat moet je doen? Naar beneden gaan? Zullen de inbrekers vluchten als je de trap af komt, of zullen ze je aanvallen? Komen ze de trap op? Terwijl je je afvraagt of je genoeg tijd hebt om de politie te bellen, besef je dat je telefoon nog beneden in de woonkamer ligt. Die ben je vergeten mee te nemen. Wat dom van je.

Je hart bonst in je keel en je handen beginnen te trillen. Je kunt toch niet gewoon in bed blijven liggen terwijl beneden jouw kostbare spullen worden gestolen? Je laptop. Je telefoon. De peperdure ‘Lord of the Rings’ Legoset die je van je vakantiegeld heb gekocht. Je Dad’s Army-dvd’s. De gekste dingen schieten door je hoofd.

De stemmen klinken steeds harder en ze gaan steeds meer door elkaar heen praten. Staan er nu twee inbrekers in je woonkamer ruzie te maken?

‘Nee!’ schreeuwt plotseling een man met overslaande stem en meteen daarop volgt een knal. Je hart slaat een slag over. Was dat een schot? Een vrouw begint te gillen en een man snauwt dat ze haar kop moet houden. Er klinken rennende voetstappen en dan het geluid van een auto die met piepende banden wegscheurt. Dan hoor je muziek.

Muziek?

Nu wint je nieuwsgierigheid het toch van de angst. Je zwaait je trillende benen over de rand van het bed en staat op. Op je tenen sluip je de kamer uit en bij de trap aangekomen blijf je even staan luisteren. Er klinken geen stemmen meer, alleen nog de mysterieuze muziek.

Langzaam loop je de trap af. Beneden in de gang blijf je weer even staan. Nog steeds hoor je niets anders dan de klanken van een wijs die je vaag bekend voorkomt.

Langzaam duw je de deur van de woonkamer open. Er flikkert licht in een hoek van de kamer.

Plotseling schiet je in de lach.

‘Domme sukkel,’ zeg je hoofdschuddend tegen jezelf terwijl je de afstandsbediening pakt en de televisie uitzet. Toch controleer je of de ramen en deuren goed dicht zijn voordat je terugloopt naar de slaapkamer en weer in bed kruipt.

 

 

Belevend ik-perspectief

 

Midden in de nacht schiet ik overeind. Ik wrijf in mijn ogen en kijk verdwaasd om me heen, maar natuurlijk kan ik in het donker niet veel zien, alleen de rode cijfers van mijn wekker die aangeven dat ik nog maar een uur geleden in bed gestapt ben.

Plotseling hoor ik iets beneden, in de woonkamer. Ik kan niet verstaan wat ze zeggen, maar er klinken duidelijk verschillende stemmen. Inbrekers!

Wat moet ik doen? Naar beneden gaan? Zullen de inbrekers vluchten als ik de trap af kom, of zullen ze me aanvallen? Komen ze de trap op? Terwijl ik me afvraag of ik genoeg tijd heb om de politie te bellen, besef ik dat mijn telefoon nog beneden in de woonkamer ligt. Die ben ik vergeten mee te nemen. Wat dom van me.

Mijn hart bonst in mijn keel en mijn handen beginnen te trillen. Ik kan toch niet gewoon in bed blijven liggen terwijl beneden mijn kostbare spullen worden gestolen? Mijn laptop. Mijn telefoon. De peperdure ‘Lord of the Rings’ Legoset die ik van mijn vakantiegeld heb gekocht. Mijn Dad’s Army-dvd’s. De gekste dingen schieten door mijn hoofd.

De stemmen klinken steeds harder en ze gaan steeds meer door elkaar heen praten. Staan er nu twee inbrekers in mijn woonkamer ruzie te maken?

‘Nee!’ schreeuwt plotseling een man met overslaande stem en meteen daarop volgt een knal. Mijn hart slaat een slag over. Was dat een schot? Een vrouw begint te gillen en een man snauwt dat ze haar kop moet houden. Er klinken rennende voetstappen en dan het geluid van een auto die met piepende banden wegscheurt. Dan hoor ik muziek.

Muziek?

Nu wint mijn nieuwsgierigheid het toch van de angst. Ik zwaai mijn trillende benen over de rand van het bed en sta op. Op mijn tenen sluip ik mijn kamer uit en bij de trap aangekomen blijf ik even staan luisteren. Er klinken geen stemmen meer, alleen nog de mysterieuze muziek.

Langzaam loop ik de trap af. Beneden in de gang blijf ik weer even staan. Nog steeds hoor ik niets anders dan de klanken van een wijs die me vaag bekend voorkomt.

Langzaam duw ik de deur van de woonkamer open. Er flikkert licht in een hoek van de kamer.

Plotseling schiet ik in de lach.

‘Domme sukkel,’ zeg ik hoofdschuddend tegen mezelf terwijl ik de afstandsbediening pak en de televisie uitzet. Toch controleer ik of de ramen en deuren goed dicht zijn voordat ik terugloop naar de slaapkamer en weer in bed kruip.