Ravijn: hoofdstuk 1 - Wie, wat, waar?
Moeizaam deed ze haar ogen open. Een vage waas van kleuren tolde om haar heen en de wereld golfde en draaide alsof ze in een bootje op de woeste zee zat. Kreunend wreef ze in haar ogen. Toen haalde ze diep adem en opende haar ogen weer. Langzaam werd de wereld om haar heen weer scherp.
Ze duwde zichzelf overeind en keek om zich heen. Ze zat op een bankje. Voor zich zag ze felgroen gras, donkergroene struiken en een paar dikke bomen. Wat verderop dacht ze de schittering van water te zien, met daarachter nog meer gras, bomen en planten. Ze keek omlaag. Dat was vreemd. De grond leek wel gestolde lava, zoals in het noordelijke Vulkaanland, maar het liep in een rechte lijn naar links en naar rechts. Zo kon het nooit natuurlijk gestroomd zijn. Achter het grasveld lag nog zo’n strook zwarte steen. Ze stampte met haar voeten op de grond. Het was keihard.
Toen ze opstond en achterom keek, viel haar mond open. Wat was dat? Het leek wel een kasteel, maar dan met veel deuren en heel veel ramen. Het was enorm. Wat was dit voor gebouw? Wie zou hier wonen? Een koning? Was dit park zijn tuin?
Plotseling besefte ze dat ze geen idee had waar ze was of hoe ze hier terecht was gekomen. Ze liet zichzelf weer op het bankje zakken en wreef over haar gezicht.
‘Wat is mijn naam?’ fluisterde ze tegen zichzelf. ‘Waar kom ik vandaan?’
Ze haalde diep adem. Rustig blijven. Geheugenverlies was meestal maar tijdelijk. Toch?
‘Wie ben ik?’ vroeg ze zichzelf. ‘Wat ben ik? Waar ben ik?’
Ze legde haar hoofd in haar nek en keek op naar de blauwe hemel met een paar wollige witte wolken. Dat kende ze in elk geval. Even vergat ze het enorme gebouw en concentreerde ze zich op de vraag wie ze was.
Ravijn-Mist.
Met een brede glimlach opende ze haar ogen. Ravijn-Mist. Dat was haar naam.
Het was een goed begin, maar nu de rest nog.
Van achter de struiken kwam een vrouw aan lopen. Ze zag er vreemd uit. Even leek het alsof de vrouw haar benen zwart geverfd had, maar toen ze dichterbij kwam, zag Ravijn dat ze een heel strakke broek aan had. Daarop droeg ze een vreemd uitziende tuniek met korte mouwen en een tekening van een dier erop.
‘Pardon, mevrouw.’
De vrouw wierp een vragende blik op Ravijns ravenzwarte haren, leren broek en felblauwe tuniek, maar zei er niets over. ‘Ja, wat is er?’ vroeg ze vriendelijk.
‘Sorry, het is misschien een vreemde vraag, maar in welke stad ben ik?’
De vrouw glimlachte. ‘Nou, dat is inderdaad een vreemde vraag. Je bent in Rotterdam.’
Ravijn fronste. Rotterdam?
‘In welk land ligt dat?’
De vrouw ging iets minder vriendelijk kijken. ‘In Nederland.’
Nederland? Ravijn keek om zich heen en schudde haar hoofd. Daar had ze nog nooit van gehoord. Voor zover zij het zich kon herinneren dan. Ze keek nog eens omhoog. ‘Nederland’ klonk alsof het ergens onder lag, maar ze kon de hemel gewoon zien.
‘Ligt Rotterdam op het Continent?’
Nu verdween de vriendelijke glimlach van de vrouw helemaal. ‘Hou je me voor de gek? Wat bedoel je met “het Continent”? Er zijn verschillende continenten.’
Even stonden Ravijn en de vrouw elkaar wantrouwend aan te kijken.
‘Verschillende continenten?’ vroeg Ravijn toen. ‘Nee, er is één Continent en er zijn een heleboel eilanden.’
Met een diepe zucht schudde de vrouw haar hoofd. Toen haalde ze een soort plankje uit haar zak. Ze tikte erop en plotseling straalde er licht uit de voorkant.
Niet te geloven, de eerste persoon die Ravijn ontmoette, was een magiër!
‘Wat is dat?’ vroeg ze nieuwsgierig.
De vrouw keek lang genoeg op om met haar ogen te rollen en keek toen weer naar het plankje. Ze tikte er nog een paar keer op en liet haar vingers over de voorkant glijden.
‘Kijk,’ zei ze toen, en ze draaide het plankje zo dat Ravijn de voorkant kon zien.
Op het plankje zag ze een landkaart, maar er klopte niets van. In plaats van het Continent met talloze eilanden in de Eindeloze Zeevlakte eromheen, zag ze verschillende continenten, en hier en daar een eiland.
‘Dit is…’ Voorzichtig raakte Ravijn het plankje aan. Op de plek waar haar vingertop de kaart raakte, verscheen een woord. Deze magie was fascinerend.
‘A-fri-ka,’ las ze op. Daar had ze ook nog nooit van gehoord. Ze raakte nog een plek aan. ‘Au-stra-li-ë.’
‘Ja, zo kan ‘ie wel weer.’ De vrouw tikte weer een paar keer op het plankje en stopte hem terug in haar zak. ‘Kom jij soms uit die kliniek daar? Waar al die mensen zitten die niet helemaal jofel zijn?’
Ravijn had geen idee waar ze het over had en de vrouw liep hoofdschuddend door.
Terwijl Ravijn haar nakeek, viel haar oog plotseling op een zwarte gedaante die van achter een boom naar haar stond te kijken. Er werd een onbekend instinct in haar wakker, dat haar vertelde niet direct naar de gedaante te kijken. Niet laten merken dat je hem gezien hebt. Hopelijk keek de gedaante niet naar haar, maar naar de andere vrouw. Misschien was er niets aan de hand.
Ravijn stond op en liep een stukje over de gestolde lava. Er liepen nu wat meer mensen. Sommigen hadden een dier bij zich. De dieren hadden allemaal vier poten en een staart, maar verder zagen ze er heel verschillend uit. De een leek op een wolf, een ander was wit en pluizig, als een konijn. De een zat aan een touw of ketting, de ander rende los rond.
Met grote ogen staarde Ravijn naar een man die voorbij reed op iets met twee wielen. De wielen zaten met een soort buizen aan elkaar vast en voorop zat een horizontale buis, die de man met beide handen vasthield. Zijn voeten draaiden rondjes, maar raakten de grond niet. Fascinerend.
Wat verderop keek ze achterom. De in een zwarte mantel gehulde persoon bewoog zich behoedzaam door de schaduwen van de bomen. Een kap verborg zijn gezicht.
Nonchalant keek Ravijn weer voor zich, maar haar hart ging sneller kloppen. Wat was er aan de hand? Wie was ze? Waar was ze? En waarom werd ze gevolgd?