Ravijn: hoofdstuk 2 - Ken je mij?
De schemering maakte de schaduwen nog donkerder in het onbekende park en Ravijn besefte dat ze een veilige plek moest zoeken om de nacht door te brengen. Maar waar kon ze zich verstoppen voor de duistere figuur die haar volgde en de andere mogelijke gevaren op deze vreemde plek?
Ze liep over de gestolde lava tussen de struiken door die de grens van het park leken aan te geven.
‘Pas op!’
Een hand greep haar arm en trok haar naar achter terwijl er een groot, langwerpig voorwerp voor haar langs schoot. Er klonk een geluid als uit een soort toeter.
‘Idioot!’ schreeuwde een man door een opening in de zijkant van het merkwaardige ding voordat het snel verder bewoog.
Ravijns hart bonsde in haar keel.
Ze keek om naar degene die haar had gered. Het was een lange, magere jonge man met een donkere huid, net als die van het woestijnvolk uit het oosten. Hij droeg een heldergroene jas met een blauwe, glimmende broek eronder. Zijn haar zat in dunne vlechtjes die in een staart bij elkaar gebonden waren.
‘Liep je te dagdromen, schat?’ vroeg de man. Zijn stem klonk hoog en melodisch. ‘Zag je die auto niet?’
Dus dat ding heette een ‘auto’.
‘Eh… nee, sorry. Dankjewel.’
De jonge man schudde zijn hoofd en bekeek haar van top tot teen. ‘Je ziet er beeldig uit, lieverd. Net echt.’
‘Net echt wat?’ Ravijn keek achterom. Degene die haar volgde, had een nieuwe boom gevonden om zich achter te verbergen. Ze moest hier weg, maar waar moest ze naartoe?
‘Je bent toch verkleed als Ravijn?’
‘Ken je mij? Ik ben niet verkleed, ik heet echt Ravijn. Wie ben jij?’
De man grinnikte en knikte. ‘O, je bent echt Ravijn? Ja, natuurlijk, snoes. Was er een Comic Con ofzo?’
Waar had die man het toch over? Ze zuchtte. ‘Ik begrijp je niet.’
‘Never mind, darling. Ik ben Roy. Hoe heet jij? In het echt, bedoel ik.’
Waar had die man het toch over? Net wist hij nog wie ze was en nu vroeg hij haar naam.
‘Ik heet echt Ravijn. Je herkende me toch?’
‘Uit de boeken, ja. Ivy is een vriendinnetje van me.’ Toen ze hem niet-begrijpend aankeek, verduidelijkte hij: ‘Ivy, die de boeken over Ravijn heeft geschreven.’
Het moest niet gekker worden. Waren er boeken over haar geschreven?
‘Sorry, mijn geheugen… Ken ik Ivy?’
‘Ze heeft je bedacht, schat.’
Even wist Ravijn niet wat ze moest zeggen. Ze wist niets over haar eigen leven, alleen haar naam en iets over het Continent en de Koningsstad waar ze vandaan kwam. De magiër die ze hiervoor had gesproken, had echter beweerd dat de wereld er heel anders uitzag.
De wereld… Plotseling kwam er een idee in haar op. Ze had weleens gehoord dat er mensen bestonden die naar een andere wereld konden reizen. Het was een heel zeldzame kracht en ze wist zeker dat zij het niet kon, maar zou ze op de een of andere manier toch in een andere wereld terechtgekomen zijn?
Ze keek achterom naar de persoon in de zwarte mantel, die langzaam achter de hoge struiken rechts van haar liep. Zou diegene haar hier gebracht hebben?
Toen ze weer naar Roy keek, schudde de jonge man zijn hoofd.
‘Ga jij nou maar lekker naar huis, lieverd. Morgen weet je vast wel weer wie je bent, als wat je dan ook gebruikt hebt is uitgewerkt.’
‘Ik wil niets liever,’ zei Ravijn zacht. Opnieuw wierp ze een blik naar rechts, waar de duistere figuur stil was blijven staan.
Roy volgde haar blik. ‘Wie is dat?’ vroeg hij. ‘Ook een cosplayer?’
Ravijn schudde haar hoofd en haalde haar schouders op.
Roy keek met een frons van Ravijn naar de vreemde gestalte en leek iets te overwegen.
‘Ik weet niet waarom ik dit vraag, schat, maar wil je met mij mee naar huis om daar je roes uit te slapen? Je ziet er niet uit als een zwerver en als je echt niet weet wie je bent of waar je bent, kan ik je niet zomaar achterlaten. Beloof me alleen dat je mijn telefoon niet steelt.’
‘Ik weet niet eens wat dat is,’ zei Ravijn met een verdrietig lachje. ‘Waarom zou ik het stelen?’
Roy haalde een zelfde soort plankje uit zijn zak als de magiër die Ravijn eerder had gesproken.
‘Wow!’ riep ze. ‘Ben jij ook een magiër?’
Roy sloeg een hand voor zijn ogen en schudde zijn hoofd. Toen hij zijn hand weer weghaalde, had hij echter een brede grijns op zijn gezicht. ‘Ik weet niet wie je bent, schat, maar ik denk dat ik je wel mag,’ zei hij. ‘Dit is een “telefoon”.’ Hij tikte er een paar keer op en keek even naar het licht dat eruit straalde. ‘Morgen ga ik bij Ivy langs,’ vertelde hij haar. Hij begon met zijn duimen op de telefoon te tikken. ‘Je kunt wel mee als je dat wilt. Ivy vindt het vast leuk om zo’n grote fan te ontmoeten.’
Ravijn kon niet wachten om die mysterieuze Ivy te ontmoeten en haar te vragen hoe ze zo veel over haar wist. Daarom knikte ze enthousiast en ging ze niet in op de opmerking dat ze een fan van haar zou zijn.
Toen Ravijn een laatste blik wilde werpen op de vreemde gestalte die haar leek te observeren, zag ze hem nergens meer. De angst greep haar bij haar keel en zonder dat ze het zelf merkte, trok ze een kort zwaard uit de schede op haar rug.
‘Ho!’ riep Roy geschrokken. Hij sprong achteruit en stak zijn handen op. ‘Stop dat maar weg. Laat de politie je daar niet mee betrappen. Ook al is het nep.’
‘Het is niet voor nep,’ zei Ravijn. ‘Het is ook niet voor jou bedoeld.’ Ze keek rond, maar de zwarte schaduw was nergens te zien. ‘Roy? Kunnen we naar jouw huis? Snel?’
‘Oké, prima. Kom maar mee, dan maak ik een smoothie met havermelk, banaan en gojibessen voor je. Dat is heel gezond. Dat trekt het gif dat je geslikt of gesnoven hebt wel uit je systeem.’
Ravijn had geen idee waar hij het over had, maar ze vond het allemaal prima, als ze maar een veilige plek kon vinden om in elk geval de nacht door te brengen. Ze liepen het park uit, over straten met vierkante stenen, tussen enorme gebouwen door. Overal stonden hoge palen met een lamp erop. Ravijn keek haar ogen uit.
‘Zeg, Ravijn?’ vroeg Roy na een tijdje. ‘Was je echt alleen?’
‘Voor zover ik weet wel, hoezo?’
Roy legde een arm om haar heen. ‘Volgens mij worden we gevolgd,’ fluisterde hij. ‘Niet kijken, maar die man in het zwart die net in het park stond, komt achter ons aan.’
Ravijn keek wel en ja hoor, daar was hij weer. Nog steeds kon ze geen gezicht zien, maar er was nu geen twijfel meer over mogelijk dat hij haar volgde.
‘Kom,’ zei Roy. Hij pakte haar hand en zette het op een lopen. Ravijn kon hem nauwelijks bijhouden terwijl hij haar door de ene na de andere straat sleurde tot hij plotseling stopte. Snel haalde hij een sleutel uit zijn zak en opende daarmee een van de vele deuren in het enorme gebouw. Ze sprongen naar binnen en Roy smeet de deur achter zich dicht.
Buiten klonken rennende voetstappen, die voor de deur stopten.
Ravijn en Roy hielden hun adem in.
‘Ik weet niet wie je bent,’ zei Roy, ‘maar je hebt een probleem.’ Hij keek naar de deur en voegde er toen met een glimlachje aan toe: ‘En ik ook, vrees ik.’