Ravijn: Hoofdstuk 8 - dubbelzielig
Dus Toermalijn had een kraal met Ravijns geheugen erin in zijn haar gevlochten.
‘Dan zit er maar één ding op,’ zei Nevel. De roodblonde vrouw zette haar handen achter zich op de grond en strekte haar korte benen voor zich uit. ‘We moeten die kraal te pakken zien te krijgen. Als jullie vannacht zijn handlanger weten weg te lokken, wil ik wel naar binnen sluipen om de kraal te halen.’
‘Weet je dan waar Toermalijn is?’ vroeg Ravijn.
Nevel knikte. ‘Hij heeft zich geïnstalleerd in een verlaten gebouw vlak bij het treinstation daar.’ Ze wapperde met haar hand. ‘Hij heeft een handlanger bij zich en die moeten we weg zien te krijgen, want ik denk dat jullie geen ervaring hebben met vechten.’ Ze keek Roy en Ivy om de beurt aan, en beide schudden snel hun hoofd.
‘Maar Roy is zo snel als een bliksemschicht,’ vertelde Ravijn toen ze terugdacht aan de snelheid waarmee hij de dief die haar tas had gestolen, had ingehaald. Ze keek naar de jonge man naast haar op de bank. ‘Zou je het aandurven?’
Hij keek haar even aarzelend aan. ‘Wat voor wapens heeft die handlanger? Ik ben snel, maar niet zo snel als een kogel.’
‘Hij heeft een zwaard en misschien een mes,’ vertelde Nevel. ‘Dat is wel een risico, want als hij dat mes achter je aan gooit…’
Ravijn zag Roy moeizaam slikken. Toen keek hij haar aan en knikte. ‘Dat geheugen moet terug in dat knappe hoofdje van je,’ zei hij dapper. ‘Durf ik het? Nee. Maar ik ga het toch doen.’
Met een dankbare glimlach legde Ravijn een hand op zijn schouder.
‘Goed,’ zei Nevel terwijl ze overeind sprong. ‘Ik ga naar het gebouw waar Toermalijn zich verscholen houdt om een locatie te vinden van waar we hem in de gaten kunnen houden. Vanavond kom ik terug. Dan gaan we samen naar die plek om te wachten tot Toermalijn slaapt.’
‘Dank je wel, Nevel,’ zei Ravijn. ‘Ik vind het heel bijzonder dat je dit voor mij wilt doen.’
Nevel glimlachte. ‘Ach, ik heb je ook nodig om koning Storm te vinden,’ zei ze. ‘Ik ben niet voor niets een probleemoplosser.’
Toen Nevel was vertrokken, bleef het een tijdje stil. Ivy frunnikte aan de zoom van haar T-shirt en Roy keek zwijgend naar de grond. Ravijn wist ook niet wat ze moest zeggen. Ze was blij dat Nevel wilde helpen haar geheugen terug te krijgen. Wat zou ze zich allemaal herinneren? Een heel leven waar ze nu niets van wist.
‘Heb ik familie?’ vroeg ze aan Ivy. Wat voelde het vreemd om iemand anders dingen over haar eigen leven te vagen.
Ivy knikte. ‘Je hebt twee broers. Arend-Ravijn en Mist-Arend.’
Zonder geluid te maken vormden Ravijns lippen die twee namen. Ze kwamen haar bekend voor, maar ze kon zich niets over hen herinneren, zelfs niet hoe ze eruitzagen.
‘Heb jij broers en zussen?’ vroeg ze aan Ivy, maar Ivy schudde haar hoofd.
‘Dus je bent dubbelzielig.’
‘Wat?’
‘Dubbelzielig.’
Ivy keek haar vragend aan. Kende ze dat woord niet? Vreemd.
‘Dubbelzielig,’ herhaalde Ravijn nog eens. ‘Of… heb je wel een broer gehad?’
Nu werd Ivy’s blik nog vager. ‘Nee,’ antwoordde de schrijver. ‘Ik heb nooit een broer of zus gehad. Wat bedoel je met “dubbelzielig”?’
‘Mensen krijgen toch meestal twee kinderen? Een jongen en een meisje?’
De blik in Ivy’s ogen bleef vaag, en toen Ravijn naar Roy keek, zag ze dezelfde vragende blik in die van hem.
‘Als de draken kinderen komen brengen, zijn dat toch meestal een jongen en een meisje?’
Ivy bleef Ravijn aankijken terwijl haar hand de laptop openklapte.
Er verscheen een lach op Roys gezicht. ‘Ga je aantekeningen maken?’
Ivy haalde haar schouders op. ‘Het klinkt interessant over die draken enzo.’
Vol verwondering over deze bijzondere wereld keek Ravijn naar Ivy’s vingers die over een vierkantje op de laptop gleden en erop tikten.
‘Vertel eens meer over die draken, lieverd,’ zei Roy toen tegen Ravijn.
Waar hadden ze het toch over? Als kinderen in deze wereld niet door draken gebracht werden, waar kwamen ze dan vandaan?
Ravijn besloot maar bij het begin te beginnen.
‘Als twee mensen van elkaar houden en hun hele leven bij elkaar willen blijven, kunnen ze trouwen.’
Ivy en Roy knikten. Blijkbaar kenden ze dat wel.
‘En als het huwelijk door de Hogere Macht wordt goedgekeurd, brengen de draken hun kinderen.’
Even zeiden de andere twee niets.
Aha, dus dat ging hier anders.
‘Gaaf,’ zei Ivy na een tijdje en ze begon weer op de laptop te tikken.
‘Dat is een stuk makkelijker dan hoe het in deze wereld gaat,’ merkte Roy op. ‘Ga verder.’
‘Meestal zijn het er twee,’ vertelde Ravijn verder. ‘Een jongen en een meisje. Soms is het er maar een. Die is dan dubbelzielig. Lichamelijk is het of een jongen of een meisje, maar in de ziel is het zowel een man als een vrouw.’ Ze keek eens goed naar Roy. ‘Ben jij ook dubbelzielig?’
Hij zette een hand in zijn zij en hield de andere afwerend op. ‘Meid, ik weet niet waar je het over hebt.’
Ravijn grinnikte. ‘Ja, dus.’
Roy begon te lachen. ‘Nee, ik ben niet dubbelzielig. Nou ja, misschien ook wel. Ik heb geen idee. Die hele term bestaat bij ons niet.’
Wat vreemd. Roy kwam toch wel over als een dubbelzielige man, dus het bestond wel degelijk, maar misschien werd er in deze wereld geen aandacht aan besteed.
‘Dus je hebt geen magische krachten?’
Opnieuw moest Roy lachen. ‘Magische krachten? Ik? Nou, ik denk van niet. Magie bestaat niet, schat. Tenminste, niet in deze wereld.’
Meende hij dat? Bestond magie hier helemaal niet? Wow.
Toen vroeg Roy: ‘Krijgen mensen ook weleens meer dan twee kinderen?’
‘Ja, dat kan ook,’ vertelde Ravijn. ‘Als het een oneven aantal is, is er een dubbelzielig.’
‘Dus een van jouw broers is ook dubbelzielig,’ merkte Ivy op terwijl ze op de knoppen van de laptop tikte.
Ravijn moest lang nadenken. De namen van haar broers, Mist en Arend, kwamen haar bekend voor, maar ze kon er geen gezichten bij bedenken. ‘Het moet wel,’ zei ze toen zacht.
Roy sloeg een arm om haar heen. ‘Het komt goed, schatje. Vanavond halen we je geheugen terug en dan moet je me alles vertellen over je broers, zeker over die dubbelzielige.’
Toen de nacht over de voor Ravijn onbekende stad Rotterdam viel, kwam Nevel terug naar Ivy’s huis om de rest op te halen. Ze vroeg Ivy in welke kraal Ravijns geheugen zat en Ivy omschreef de kraal die ze in haar ‘fantasie’ had gezien zo goed mogelijk. Toen gingen ze op weg.
‘De mensen die hier wonen, zijn er niet,’ vertelde Nevel toen ze bij een gebouw stopte. ‘Ik heb het slot net al opengemaakt.’ Ze opende de deur en liep voor de andere drie uit naar binnen. Ze liepen een paar trappen op en uiteindelijk kwamen ze op een balkon uit.
Er stonden twee stoelen op het balkon en Ravijn en Ivy gingen daar zitten.
‘Daar is het gebouw,’ wees Nevel.
Ravijn keek in de richting waarin Nevel had gewezen en zag dat er licht brandde achter een raam.
‘Hij kan ons niet zien,’ vertelde Nevel, ‘want hier is het donker. We moeten alleen niet te veel bewegen of te hard praten.’
Ravijn knikte in het donker, niet zeker of Nevel het kon zien. Deze situatie voelde vertrouwd, waarschijnlijk omdat ze dit als probleemoplosser al vaker had meegemaakt.
Nevel wees naar een onopvallende man die in de schaduw bij de voordeur op stond.
‘Dat is Toermalijns handlanger,’ vertelde ze. ‘Hij bewaakt het gebouw ’s nachts. Als jij naar hem toe loopt en doet alsof je bij hem wegvlucht, zal hij achter je aan komen. Dan heb ik de tijd om het huis in te sluipen en de kraal uit Toermalijns haar te halen.’
Roy slaakte een diepe zucht en fluisterde: ‘Oké. Ik ben er klaar voor.’
‘Wat kunnen wij doen?’ vroeg Ravijn.
‘Jullie moeten het huis in de gaten houden,’ vertelde Nevel. ‘Waarschuw mij als Toermalijn wakker wordt of als er toch meer bewakers blijken te zijn. Zing maar een liedje ofzo, daar kijken ze in Rotterdam niet van op.’
Ravijn hoorde Roy gespannen grinniken.
‘Klaar?’ vroeg Nevel toen aan Roy.
‘Nee, maar we gaan ervoor.’
In het donker bleven Ravijn en Ivy op het balkon op wacht zitten. Het was stiller dan overdag, maar zelfs nu klonk het geluid van verkeer overal om hen heen.
‘Ik hoop maar dat Nevel de kraal echt meeneemt,’ klonk Ivy’s stem zacht.
‘Vertrouw je haar niet?’ vroeg Ravijn bezorgd. Ze had geen reden gezien om Nevel te wantrouwen.
‘Ik weet het niet,’ antwoordde Ivy. Verder zei ze niets.
‘Ik vrees dat we geen andere keus hebben.’
In stilte keken de twee vrouwen naar het huis, waar ze tussen de gordijnen door het bed konden zien waarop Toermalijn was gaan liggen. Het licht bleef aan. Zou hij bang zijn in het donker? De roodharige man lag doodstil.
Toen zagen ze beweging beneden op straat. Een lange man liep in de richting van de deur. Het was Roy.
‘Hè, domme sukkel,’ riep hij tegen de bewaker. ‘Pak me dan, als je kan.’
Woedend stormde de bewaker op hem af. Roy draaide zich om en sprintte door de donkere straten, uit zicht van Ravijn en Ivy. Ze hoorden alleen zijn voetstappen nog galmen in de smalle steeg waarin hij was verdwenen. Roy was snel, wist Ravijn, maar was hij snel genoeg om de bewaker voor te blijven?
Een paar seconden later verscheen Nevel. Ze keek om zich heen, opende de voordeur en sloop naar binnen.
Met bonzend hart keek Ravijn naar Toermalijn. Hij lag nog steeds stil. Zou hij slapen? Of zou hij straks ineens overeind springen?
Het leek uren te duren voordat Nevel de kamer in kwam.
Toermalijn bleef stil liggen.
Tegelijk bogen de twee vrouwen zich iets voorover toen ze Nevel naar het bed zagen lopen.
De roodblonde vrouw knielde bij het hoofdeinde en Ravijn hield haar adem in.