Ravijn: hoofdstuk 4 - geloof je me nu?

Terwijl Ravijn wanhopig probeerde de drukke straat over te steken om achter de dief aan te gaan, zag ze Roy met zijn lange benen de achtervolging inzetten. Als een haas schoot hij tussen de auto’s door en al snel waren hij en de dief om de hoek verdwenen.

‘Stop!’ riep Ravijn naar de auto’s, en links en rechts van haar klonk het piepen van banden en dat vreemde getoeter toen ze probeerde de overkant te bereiken. Ze rende de kant op waarin Roy en de dief waren verdwenen. Ze ging de hoek om en zag Roy en de dief wat verderop in de straat op de grond liggen. Roy had de dief in een houdgreep en hoe hard de dief ook worstelde, hij kwam niet los.

Toen ze dichterbij kwam, hoorde ze de dief zeggen: ‘Oké, oké, ik geef hem wel terug.’

Roy zette zijn knie in de rug van de dief en graaide de tas uit zijn handen.

‘Ik wilde alleen maar wat geld verdienen,’ kermde de dief, een jonge man met een dikke bos donkere krullen. ‘Hij bood me tienduizend euro voor die tas. Tienduizend euro!’

‘Wie?’ vroeg Roy. Hij greep de jonge man bij zijn haar en trok zijn hoofd achterover. ‘Wie heeft je zoveel geld geboden?’

‘Kun je me niet loslaten?’ klaagde de dief. ‘Ik zal je alles vertellen. Je hebt de tas terug. Ik krijg de rest van mijn geld toch niet.’

‘Goed dan.’ Roy liet de jonge man opstaan, maar hield zijn arm vast zodat hij niet kon vluchten. ‘Vertel op.’

De dief schudde zijn hoofd. ‘De een of andere rare gast sprak me net aan. Hij vertelde dat zij iets bij zich had dat voor hem heel waardevol is. Hij had er tienduizend euro voor over.’ De dief haalde een stapel geld uit zijn zak. ‘Kijk, hij gaf me vijfhonderd euro als voorschot. De rest zou ik krijgen als ik de tas bij hem aflever, met dat voorwerp erin.’

Roy keek Ravijn aan.

‘Het Kroonjuweel,’ zei ze, en Roy knikte.

‘Hoe zag die man eruit?’ vroeg ze toen aan de dief.

‘Hij leek wel verkleed als een karakter uit een fantasyfilm. Hij had lang rood haar en blauwe ogen. In zijn haar zaten een paar vlechten met hier en daar een kraal erin.’

‘Hou op, man.’ Roy duwde de jonge man van zich af en sloeg zijn handen voor zijn gezicht. De dief maakte van de gelegenheid gebruik en maakte zich snel uit de voeten.

‘Wat is er?’ vroeg Ravijn verbaasd. ‘Ken je die man?’

Na een diepe zucht vertelde Roy: ‘Nee, schat, maar jij wel.’

Ravijn dacht diep na, maar kon zich niemand herinneren met rood haar. Eigenlijk kon ze zich helemaal niemand herinneren die ze ooit gekend had.

Roy zette zijn handen in zijn zij. ‘Als dit een grap is, heeft iemand wel heel veel moeite gedaan. Als het geen grap is...’ Hij schudde zijn hoofd nog eens. ‘Ik wil het gewoon niet toegeven, maar het lijkt erop dat ik je moet geloven. Die man die hij omschreef… dat lijkt verdacht veel op Toermalijn, de neef van jouw koning.’

Omdat Ravijn niet wist wat ze moest zeggen, opende ze haar tas om te controleren of het Kroonjuweel er nog in zat. Gelukkig, het was er nog. Ze keek Roy aan en hij keek net zo verloren als zij zich voelde.

 

Ze haalden de tas die Roy voor de supermarkt had laten vallen, liepen naar huis en ruimden de boodschappen op. Daarna repareerde Roy Ravijns tas met een naaimachine terwijl Ravijn gefascineerd toekeek. Deze wereld vol stekkers, lichtjes en knopjes bleef Ravijn verbazen en intrigeren.

Toen de tas weer heel was, haalde Roy een andere uit de kast. ‘We kunnen het Kroonjuweel beter niet meer daarin bewaren,’ verklaarde hij. ‘Als Toermalijn het Kroonjuweel in handen wil krijgen, zal hij het zeker nog eens proberen. Laten we het juweel in deze tas stoppen.’

Ravijn stemde in en ze deden het juweel in een klein tasje dat Roy over zijn schouder op zijn buik hing.

‘Zo, dan gaan we nu Ivy opzoeken.’

Opgetogen liep Ravijn met Roy mee naar het huis van Ivy, die zo veel over Ravijn leek te weten. Roy drukte op een vierkantje naast de deur en even later ging de deur open.

Ivy was klein en mollig. Ze had lichtblonde vlechten en sproetjes op haar neus. Toen ze de deur open deed en Ravijn zag, viel haar mond open. Ze gebaarde haar en Roy binnen te komen.

Nadat ze de deur achter hen dicht had gedaan, bleef ze Ravijn zwijgend bekijken.

‘Geloof je me nu, lieverd?’ vroeg Roy, maar Ivy bleef zonder iets te zeggen naar Ravijn staren.

‘Ivy?’ vroeg Ravijn voorzichtig.

Nu keek de kleine vrouw haar aan en knikte.

‘Ik ben Ravijn.’

‘Ja, dat dacht ik al.’ Ivy schudde ongelovig haar hoofd. ‘Je lijkt niet gewoon op haar… Je bent haar.’

‘Dat weet ik,’ zei Ravijn met een lachje, ‘maar dat is alles wat ik weet. Ik begreep dat jij me goed kent.’

‘Nee… Ja… Nou, eigenlijk…’ Even zei Ivy niets meer en leek ze haar gedachten op een rijtje te zetten. ‘Nou ja, in feite heb ik je bedacht,’ vertelde ze toen. Ze liep naar een boekenkast en haalde daar een boek uit. Ravijn pakte het aan.

‘Het Goudland,’ las Ravijn. Toen Ivy niets zei, sloeg ze het boek open en las hier en daar een stukje. Het zei haar niets. De wereld waarin het zich afspeelde, kende ze, maar de verhalen die ze over zichzelf las niet.

Ivy ging op de bank zitten en Roy en Ravijn volgden haar voorbeeld. ‘Je lijkt zo veel op de vrouw die ik in mijn fantasie voor me zie… het is gewoon eng.’

Ravijn knikte. ‘Misschien ben ik wel de vrouw die je in je fantasie voor je ziet,’ zei ze zacht.

De kleine, blonde schrijver glimlachte een beetje verdrietig, alsof ze diep vanbinnen wenste dat het zo was. ‘Nee, die bestaat niet,’ zei ze. ‘Die andere wereld bestaat alleen in mijn fantasie. Jij hebt vast alle boeken gelezen.’

Ravijn zuchtte. Hoe kon ze Ivy ervan overtuigen dat ze echt Ravijn was en niet deed alsof?

‘Het Kroonjuweel,’ zei ze tegen Roy met een knikje naar zijn tas.

De ogen van de schrijver werden groter toen hij het Kroonjuweel uit het tasje haalde en de doek openvouwde.

‘Geloof je me nu?’ vroeg Ravijn.

Ivy schudde echter haar hoofd. ‘Wat mooi gemaakt,’ zei ze zacht.

Toen vertelde Roy over de dief en de beschrijving van zijn opdrachtgever, die tienduizend euro over had gehad voor het Kroonjuweel. Ravijn had geen idee wat een ‘euro’ was, maar het klonk naar een enorm bedrag.

Ivy hield haar hoofd schuin. ‘Toermalijn?’ vroeg ze. Even zag Ravijn een spoortje twijfel in haar ogen, maar toen vervolgde ze: ‘Roy, ik ben hier de dromer, jij niet. Ravijn bestaat niet. Toermalijn bestaat niet. Dit is allemaal nep. Wel heel mooi, trouwens.’ Ze bestudeerde het Kroonjuweel en keek toen weer naar Ravijn. ‘Het is precies zoals ik het voor me zag. Net als jij.’

Het was hopeloos, maar Ravijn kon het Ivy ook niet kwalijk nemen dat ze niet geloofde dat iemand die ze alleen in haar fantasie had gezien, echt bestond. Het klonk ook te gek om waar te zijn.

Ravijn legde het Kroonjuweel op haar hand. Opnieuw verscheen er een zacht licht in de steen en Ivy’s mond viel open van verbazing.

‘Geloof je me nu?’ vroeg Ravijn.

Op dat moment klonk er echter gerinkel. Ze keek verbaasd op en Ivy liep na een laatste blik op het juweel naar de deur.

‘Dat is de bel,’ fluisterde Roy met een glimlachje. ‘Dat betekent dat er iemand voor de deur staat.’

Ravijn stond op en gluurde de gang in. Ze zag Ivy de deur opendoen en een gilletje geven van schrik. Ivy deinsde achteruit en er stapte een man naar binnen. Hij had lang, rood haar met vlechten en kralen.

De man zette een groot mes op Ivy’s keel.

‘Waar is Ravijn? Waar is het Kroonjuweel?’