Ravijn: hoofdstuk 14 - het lijk

Een tijdje bleef het stil. Ravijn, Roy, Ivy en koning Storm-Wolf stonden rondom het lijk van Toermalijns handlanger. Ravijn keek Ivy aan.

De kleine blonde schrijver keek met grote ogen terug, haar gezicht lijkbleek.

‘Ik weet het niet,’ fluisterde ze zo zacht dat Ravijn het maar net kon verstaan.

Ook Roy schudde zijn hoofd toen ze hem aankeek.

‘We kunnen hem hier moeilijk laten liggen,’ merkte koning Storm-Wolf op. ‘Dat geeft maar vlekken.’

De andere drie lachten zenuwachtig.

‘Maar wat moeten we dan doen?’ vroeg Ravijn. ‘Kunnen we hem ergens in de buurt begraven?’

‘Er is te veel licht in de stad,’ zei Roy. ‘Als we betrapt worden, hebben we heel wat uit te leggen.’

‘Het Kralingse Bos,’ zei Ivy toen. Ze keek naar het lijk en toen weer naar Ravijn. ‘Dat is een bos niet zo ver hiervandaan. In het bos zelf is geen verlichting. We kunnen het proberen.’

‘Goed idee,’ zei Ravijn, ‘alleen hoe krijgen we hem daar? Hoever is het?’

Roy keek Ivy aan. ‘Een halfuur, drie kwartier lopen?’

Ivy knikte.

‘Hebben jullie een kar of zoiets?’ vroeg Ravijn. ‘Of zo’n “auto” die hier rondrijden?’

‘Nee, ik heb geen auto,’ zei Roy terwijl ook Ivy haar hoofd schudde. ‘Maar jij hebt toch die koffer op wieltjes, schat?’

‘Dat is waar,’ zei Ivy. ‘Ik zal hem even halen.’ Ze liep weg en kwam even later terug met een rechthoekig ding op wieltjes, dat ze aan een stang achter zich aan trok. Wat een leuk ding!

‘Dat moet wel passen,’ zei koning Storm-Wolf toen hij de koffer zag.

Met een prachtig zzzzip-geluid maakte Ivy de koffer open en Ravijn keek nieuwgierig naar de sluiting, die Ivy een ‘rits’ noemde. Daarna vouwden de mannen het lichaam van Toermalijns handlanger zo goed ze konden op en propten het in de koffer.

‘Duw zijn hoofd naar beneden.’

Roy deed wat de koning vroeg en duwde het hoofd van de man in een akelige positie.

Koning Storm-Wolf probeerde de klep dicht te doen, maar de schouders van het lijk waren te breed.

‘Ga erop zitten,’ zei de koning tegen Roy.

‘Serieus?’ Roy deinsde met een geschrokken blik achteruit.

Koning Storm keek de jongere man zwijgend aan.

‘Nou… goed dan.’ Met een vies gezicht ging Roy voorzichtig op het deksel van de koffer zitten.

De koning schudde zijn hoofd. ‘Jij ook, Ravijn.’

‘O, dit is zo…’ begon Roy terwijl hij met zijn handen heen en weer zwaaide, maar hij maakte zijn zin niet af. Hij kermde alleen zacht toen Ravijn naast hem op de koffer ging zitten en er onder hen een pijnlijk gekraak klonk.

‘En jij, Ivy.’

Toen alle drie de anderen op de klep van de koffer waren gaan zitten, lukte het koning Storm-Wolf om de rits weer dicht te trekken.

‘Zo, gelukt.’

‘Ik vind dit zo…’ Roy krabbelde overeind en veegde iets onzichtbaars van de achterkant van zijn broek. ‘…naar.’

Koning Storm glimlachte. ‘Je doet het geweldig, knul.’

‘Krijg ik nu een lintje?’

‘Een lintje?’ vroeg de koning.

‘Laat maar,’ zei Roy. ‘Kom, dan brengen we hem naar het bos.’

Het was een heel gedoe om de loodzware koffer van de trap te krijgen zonder hem te laten vallen, maar het lukte de vier zonder kleerscheuren buiten te komen.

‘En nu doen alsof er niets aan de hand is,’ zei Ravijn. ‘Anders krijgen we het leger op ons dak.’

‘De politie,’ corrigeerde Roy.

‘O ja, dat is politie bij jullie.’

‘We hebben ook een leger,’ vertelde Roy, ‘maar die houden zich meer bezig met internationale zaken of ernstigere dingen.’

Ivy schoot in de lach. ‘Ernstiger dan de moord op iemand uit een andere wereld?’

‘Laat ik zeggen: grotere dingen.’

‘Ik vind hem groot zat,’ merkte Ravijn op, terwijl ze de koffer door de straat sleepte. Dankzij de wieltjes was het te doen, maar het viel nog steeds niet mee.

‘Geef hem maar aan mij als het niet meer gaat,’ zei Roy, ‘dan wisselen we af.’

Dat deden ze, en drie kwartier later kwamen ze bij een groot veld dat omringd werd door hoge bomen.

‘Daar ligt de Kralingse Plas,’ vertelde Roy in het donker wijzend. ‘En dit is dus het Kralingse Bos. We kunnen de koffer ook in het water gooien.’

‘Ik weet niet of hij drijft,’ zei Ravijn. ‘Misschien kunnen we hem beter ergens begraven.’

‘Of hem gewoon achterlaten,’ stelde koning Storm-Wolf voor.

‘Ik wil u niet tegenspreken, koning Storm-Wolf, maar misschien heeft iemand ons ermee zien lopen,’ zei Ravijn. ‘Ik denk dat we hem beter kunnen begraven zodat het langer duurt tot iemand hem opmerkt.’

‘Daar heb je gelijk in, Ravijn,’ zei de koning. ‘Slim bedacht. Laten we een eind het bos in lopen en dan een plek vinden om…’

De koning keek om zich heen.

‘Wat is er?’ vroeg Ravijn terwijl ze hetzelfde deed.

De koning wees naar het bos. ‘Ga tussen de bomen lopen,’ beval hij.

‘Wat is er dan?’

‘Een menseneter.’

Nee, hè? Hadden ze die in deze wereld ook al? Ravijn trok Ivy en Roy, die met de koffer worstelde, mee naar het bos. Tussen de bomen zouden ze nog een kans maken om weg te komen voordat de menseneter hen in de gaten had.

‘Wat… is… een… menseneter?’ hijgde Ivy terwijl ze Ravijn met moeite bijhield.

‘De naam zegt me genoeg,’ riep Roy. ‘Rennen!’

Ivy’s vraag werd al snel beantwoord toen het wezen plotseling achter hen verscheen.

De draak at niet alleen mensen, maar had daar wel een voorkeur voor. Hij was zo groot als een flink paard, maar dan met een felrood reptielachtig lichaam en een lange staart die fel om zich heen sloeg. Zijn kop, op een lange nek, bewoog dreigend heen en weer, en er zat iemand op zijn rug, die hem aanstuurde.

‘Pak ze!’ klonk een bekende stem.

‘Nevel,’ gromde koning Storm-Wolf.

‘We kunnen hem niet verslaan,’ riep Ravijn. De angst greep haar bij haar keel. Als de andere drie hadden kunnen vechten, zouden ze een kans maken, maar alleen kon ze niets beginnen tegen een menseneter. Het enige voordeel was dat de menseneter een traag wezen was.

‘We moeten hem afleiden,’ zei koning Storm-Wolf. ‘Dan maken we eens kans om weg te komen. Maar hoe?’