Ravijn: hoofdstuk 15 - de brug
Er zat maar één ding op.
Ravijn keek Ivy aan en zonder iets te zeggen, begrepen ze elkaar.
‘Snel,’ zei Ravijn en ze keek naar de menseneter met Nevel op zijn rug. Gelukkig was de draak lomp en traag, anders had hij hen allang tussen zijn kaken gehad. Hij was nog twintig meter bij hen vandaan.
Ivy liet zich op haar hurken zakken en ritste zo snel ze kon de koffer open, waarna het lichaam van Toermalijns handlanger eruit tuimelde.
‘Pak zijn benen,’ zei koning Storm-Wolf tegen Roy terwijl hij de armen van het lijk pakte.
Roy deed wat de koning hem had opgedragen en met een zwaai slingerden ze het lijk in de richting van de naderende menseneter.
‘Lopen!’ riep Ravijn en de vier renden achter Ivy aan het bos in. Ze worstelden zich tussen een strook struiken door naar de weg, terwijl achter hen het kraken van botten klonk, gevolgd door Nevels woedende bevelen aan de draak om het lijk los te laten en de levende mensen achterna te gaan.
Gelukkig voor Ravijn, Ivy, Roy en koning Storm-Wolf trok de menseneter zich niets aan van zijn berijder en koos hij voor de makkelijke, verse prooi die hem in de schoot geworpen was in plaats van de wegrennende mensen.
De vier renden linksaf, waar de weg over een rivier liep.
Plotseling bleef Ivy staan.
‘Wat is er?’ vroeg Ravijn, die bijna tegen haar aan was gebotst.
Ivy wees voor zich en Ravijn zag in het licht van de straatlantaarns een bos felrood haar.
‘Toermalijn!’
En hij was niet alleen. Er kwam een rij mensen onder de brug vandaan. Ze droegen verschillende kleding, geen uniformen, dus het moesten wel huurlingen zijn. Aan hun kleding zag Ravijn dat ze uit haar wereld kwamen. Dus Toermalijn had hulptroepen ingeschakeld. Ze verspreidden zich over de stoep, het fietspad en de banen waar de auto’s reden.
Ravijn draaide zich om en rende terug, maar de koning hield haar tegen. Toen zag ze dat aan de andere kant van de brug ook een rij mensen was gaan staan.
Ze draaide zich weer om. Wat nu?
Toermalijn gebaarde met zijn arm en de huurlingen kwamen langzaam dichterbij. Ze sloten Ravijn, Roy, Ivy en de koning van beide kanten in.
Ravijn keek over het hek naar het water onder hen.
‘Hoe diep is het hier?’ vroeg ze. ‘Kunnen we springen?’
‘Ik weet niet precies hoe diep het water is,’ zei Ivy. ‘Ik ben bang dat we vast komen te zitten in de modder.’
Op dat moment suisde er een pijl langs Ravijns gezicht. Koning Storm-Wolf kon nog maar net wegduiken.
‘Ze hebben schutters!’ riep de koning. ‘Wat moeten we doen?’
Opnieuw moest hij een pijl ontwijken. Dit kon niet goed aflopen.
Ravijn keek wanhopig om zich heen. Ze konden niet vooruit. Ze konden niet achteruit. Ze keek naar het water. Het was onmogelijk in te schatten hoe diep het was. Zwemmend zouden ze de pijlen helemaal niet kunnen ontwijken. Maar als ze bleven staan…
Plotseling verscheen er een dikke, witte mist om de vier mensen heen. De witte waas werd dikker en dikker tot ze niets meer konden zien.
Wat gebeurde er?